Begin jaren zeventig van de vorige eeuw zagen wij dat er een sociale en religieuze behoefte was bij de gastarbeiders die in de jaren ’60 en ’70 naar Nederland waren gekomen. Het aantal gastarbeiders was zo groot geworden waardoor gesproken kon worden van een sociale groep. De gastarbeiders zochten elkaar op en probeerden sociale verbanden te vormen. Zo ontstonden onder andere de eerste gebedshuizen. In de tweede helft van de jaren zeventig, werden er verschillende pogingen ondernomen om de islamitische gemeenschap bij elkaar te brengen.

In tachtiger jaren van de vorige eeuw zagen wij dat de pogingen om samen te werken en meer ‘eenheid’ te vormen steeds intensiever werden. Vooral vanwege de beeldvorming over de Islam en maatschappelijke positie van moslims in de Nederlandse samenleving. Door te kijken en leren van andere geloofsgemeenschappen in Nederland, zagen de moslims in dat het mogelijk was om een eigen islamitische ‘zuil’ te ontwikkelen op basis van bestaande wet en regelgeving. Analoog aan de christelijke zuil. Denk aan het oprichten van eigen omroepen, scholen, etc.

Echter om dit te bewerkstelligen was onderlinge samenwerking nodig. De mogelijkheid en inzicht in wet- en regelgeving leidde ertoe dat moslimorganisaties en leiders nog meer pogingen ondernamen om te komen tot landelijke organisaties. Begin jaren negentig zien wij dat deze pogingen om te komen tot landelijke organisatieverbanden hun vruchten begonnen af te werpen.

De islamitische Raad Nederland (IRN) werd in 1992 opgericht door ISN (Diyanet), UMMO en WIM. Niet lang daarna was de oprichting van de Nederlandse Moslimraad (NMR). De NMR werd opgericht door Milli Gorus, SICN en RMMN. Hierdoor waren er op landelijk niveau twee organisaties die de moslimgemeenschap vertegenwoordigen. Dit bracht echter de nodige uitdaging met zich mee en er werd geprobeerd om te komen tot een landelijke organisatie onder de naam van Raad van Moskeeën. Het lukte de moslimorganisaties helaas niet om binnen deze Raad van Moskeeën om tot een duurzame en structurele samenwerking te komen waardoor de behoefte tot ‘eenheid’ en samenwerking onbeantwoord bleef.